30 miljoen woorden minder
In de jaren negentig onderzochten de Amerikaanse onderwijskundige Betty Hart en psycholoog Todd R. Risley gezinnen met verschillende sociaal-economische achtergronden. Wat zij ontdekten staat inmiddels bekend als de ‘30-million-word-gap’: driejarigen uit welgestelde gezinnen hebben zo’n 30 miljoen woorden méér gehoord dan driejarigen uit gezinnen met een laag inkomen.
Kinderen die opgroeien in een bijstandsgezin horen ongeveer 600 woorden per uur, tegenover ruim tweeduizend per uur bij kinderen uit welgestelde gezinnen. Peuters leren hun taal vooral door hun ouders na te doen: dezelfde woorden, dezelfde spreekpatronen, dezelfde gesprekslengtes. Groei je op in armoede, dan begin je dus al vroeg met een kleinere woordenschat. In een eenoudergezin is die achterstand vaak nog groter, omdat een kind maar van één ouder kan leren in plaats van twee.
Meer dan alleen taal
De gevolgen reiken verder dan taalontwikkeling. Onderzoek laat zien dat kinderen uit de laagste inkomensgroep ruim twee keer zoveel risico lopen op een lage functionele gezondheid, de lichaamsfuncties die nodig zijn om dagelijkse dingen te doen, zoals lopen, zien, horen en spreken. Ook komen gedrags- en emotionele problemen vaker voor. Dat maakt leren moeilijker en bemoeilijkt het aangaan van sociale contacten met leeftijdsgenoten.
Armoede gaat vaak van generatie op generatie over. Daarom is op tijd hulp zoeken zo belangrijk, niet alleen voor nu, maar voor de toekomst van het hele gezin.